1e lijn goed voor chronisch depressieve patiënten

Chronisch depressieve patiënten bij wie bestaande behandelingen weinig verbetering opleveren, kunnen beter begeleid worden in de  Basis GGZ,  rondom de huisarts, dan in de tweede lijn, zoals nu gebeurt. Dat stelt Jan Spijker, bijzonder hoogleraar Chronische depressie aan de Radboud Universiteit. Verschuiving van deze behandelingen naar de eerste lijn is niet enkel een bezuiniging, de patiënt zelf wordt er ook beter van, denkt Spijker.

Jan Spijker werkt als psychiater bij Pro Persona in Nijmegen en als onderzoeker bij het Trimbos instituut in Utrecht. Al jarenlang doet hij onderzoek naar chronische depressie. In zijn oratie op vrijdag 15 februari 2013 introduceerde hij enkele nieuwe interventies.

Leren om ermee om te gaan
Rehabilitatie en zelfmanagement staan centraal in de andere aanpak die Spijker voorstaat. De nadruk ligt niet op het wegnemen van klachten, maar op patiënten leren hoe ze met hun klachten kunnen omgaan. Spijker: ‘De tweede lijn is erg gericht op wat niet goed gaat, terwijl de Basis GGZ uitgaat van eigen kracht van mensen en hen kan trainen in het omgaan met klachten, aanzetten tot gezond gedrag en het oppakken en voortzetten van activiteiten. Zo krijgen ze weer greep op hun eigen aandoening en hun leven. Natuurlijk is de tweede lijn er voor specialistische hulp en gerichte behandelingen, maar dat kunnen ook kortdurende interventies zijn, waarna deze patiënten gewoon weer in de eerste lijn begeleid  worden.' 

Chronische depressie

Zo'n zeshonderdduizend Nederlanders lijden aan depressie, de helft ervan aan een chronische depressie (langer dan twee jaar). Juist patiënten die in de hogere echelons van zorg behandeld worden, hebben vaak een ongunstiger ontwikkeling van de ziekte. Chronisch of niet, voor allemaal betekent het groot persoonlijk lijden, maar het brengt ook hoge maatschappelijke kosten met zich mee: 660 miljoen per jaar voor behandeling, plus nog eens 950 miljoen vanwege uitval in werk. Reden te meer om te zoeken naar nieuwe interventies, vindt Spijker.
Psychiaters en gedragsonderzoekers aan de Radboud Universiteit ontwikkelen en testen samen nieuwe aanpakken. Drie ervan zijn veelbelovend: cognitieve bias modificatie (CBM), transcraniële magnetische stimulatie (TMS) en mindfulness based cognitieve therapie (MBCT).

Cognitieve kwetsbaarheid
Uit eerder onderzoek is bekend dat depressieve mensen negatieve informatie veel beter verwerken dan positieve. Vanwege problemen met hun informatieverwerking lukt het ze niet om de aandacht van de negatieve informatie los te maken. Dit wordt gezien als een foutje in de cognitieve controle. 
Met een computertraining, waarin de patiënt met een joystick positieve beelden naar zich toe haalt en negatieve wegduwt, kan de focus van de negatieve informatie in positieve richting worden beïnvloed. De eerste resultaten met deze cognitieve bias modificatie (CBM) zijn veelbelovend. CBM wordt al toegepast bij mensen met lichte depressie en wordt nu verder onderzocht als aanvullende interventie naast bestaande behandelingen bij meer ernstige en chronische depressies.

Magneet bij je hoofd
Een tweede nieuwe benadering is directe stimulatie van specfieke hersengebieden met transcraniële magnetische stimulatie (TMS). Via een magneet aan de buitenzijde van het hoofd wordt een gerichte stroomimpuls gegeven aan een bepaald hersengebied. De stroomimpuls zorgt onder andere voor het vrijkomen van serotonine en dopamine. TMS heeft al geleid tot enige verbetering bij depressieve patiënten die niet reageren op medicijnen. Aan de Radboud Universiteit wordt deze behandeling nu verder onderzocht.

Mindfulness
Verder is uit onderzoek herhaaldelijk gebleken dat mindfulness de kans op een nieuwe depressie halveert bij mensen die drie of meer depressies hebben gehad. Ook bij een kleine groep chronisch depressieve patiënten werden  resultaten gezien op de depressieve klachten zelf. De mindfulness based cognitieve therapie (MBCT): een groepsbehandeling met aandachts- en meditatieoefeningen, wordt aan de Radboud Universiteit Nijmegen verder onderzocht bij patiënten die al chronisch depressief zijn of dat dreigen te worden. 
Ook combinaties van deze behandelingen worden binnen de Radboud Universiteit en in samenwerking met Pro Persona verder onderzocht, naast of in combinatie met cognitieve gedragstherapie en psychofarmaca.

Jan Spijker is psychiater en hoofd van het programma  Stemmingsstoornissen bij Pro Persona, Nijmegen, onderzoeker bij het Trimbos instituut te Utrecht en bijzonder hoogleraar Chronische depressie bij het Behavioural Science Institute van de Radboud Universiteit Nijmegen. Zijn interessegebieden zijn stemmingsstoornissen, epidemiologie en opleiding.

Chronisch depressief in nieuw perspectief. Oratie prof. dr. Jan Spijker, 15 februari 2013, Radboud Universiteit Nijmegen.

 


« Terug naar overzicht